Artikel Jade Seynhaeve

Artikel Gert Hekma

DE BENEN WIJD, DE STEM NAAR BENEDEN

Houding tegenover 'nichterigheid' bij homoseksuele mannen

Homoseksuele mannen willen tegenwoordig gewone mannen zijn. Maar nog altijd worden ze regelmatig geconfronteerd met afwijzende reacties in hun omgeving– niet zozeer gericht tegen homoseksualiteit als zodanig, maar tegen ‘nichterigheid’: als vrouwelijk of althans onmannelijk beschouwd gedrag dat met homoseksualiteit wordt geassocieerd. Ook homomannen zelf nemen afstand van dergelijk gedrag. Gert Hekma bespreekt in dit artikel de resultaten van een door hem en anderen verricht onderzoek waaruit dit naar voren komt. Hij plaatst zijn bevindingen in een historisch perspectief dat laat zien hoe het verband tussen seksueel gedrag en genderidentiteit door de tijd heen is veranderd.

De Amsterdamse televisiezender at5 had eens een grappige en interessante uitzending. Een journaliste ging met een camera de straat op en vroeg aan mannen die ze tegenkwam wanneer ze ontdekt hadden dat ze heteroseksueel waren. Bouwvakkers, kantoorklerken, winkelpersoneel, studenten, ze keken allemaal glazig de camera in. Hetero, dat werd je toch niet en dat ontdekte je toch niet, dat was er toch gewoon van nature? Een vlotte jongeman gaf direct het antwoord dat hij dit rond zijn zestiende jaar had uitgevonden. Hij zei het zo spontaan dat je onmiddellijk ging denken dat hij die vraag beter kende en waarschijnlijk zelf juist homoseksueel was. Dit mini-onderzoekje gaf aan dat ‘hetero’ de ongemarkeerde, vanzelfsprekende categorie is en dat homo’s – die altijd heel goed weten wanneer ze ontdekten homoseksueel te zijn – de subalterne, inferieure of bijzondere categorie vormen, de uitzondering zijn die ‘tegen de keer’ moeten uitvinden wat het is om geen hetero te zijn.
Hetzelfde geldt voor mannelijkheid. MurrayDrummond(2005: 276) heeft tien jaar ervaring op het gebied van mannenstudies. Wanneer hij mannen vraagt wat mannelijkheid voor hen betekent, is de reactie: ‘Invariably, I am confronted with a blank look from the participant’. De vraag zegt de respondenten niks omdat hun mannelijkheid voor hen vanzelfsprekend is. Met de homojongens die hij onderzocht was het omgekeerd: ‘each participant was intensely reflective in his response.’ Hij vervolgt: ‘although many heterosexual men perceive gay men as lacking masculinity, all of these men identified themselves as being masculine.’Voor heteromannen zijn zowel heteroseksualiteit als mannelijkheid vanzelfsprekend en daar denken ze verder nauwelijks over na. Voor homomannen is het precies andersom: hun mannelijkheid en homoseksualiteit zijn thema’s van voortdurende reflectie en zorg. Beide thema’s liggen dichtbij elkaar omdat naar de dominante opvatting een echte man geen mietje is en een homo nooit een echte man – wat hij er zelf ook van mag vinden (vgl. Connell 1995 over hegemoniale en subalterne mannelijkheid). Mannelijk en homoseksueel zijn categorieën die op gespannen voet met elkaar blijven staan.
Over de gender van homomannen wil ik het hier hebben. Daartoe ga ik eerst in op de historische achtergrond van dit onderwerp. Ik werkte mee aan een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, de Rutgers NISSO Groep en de Universiteit van Amsterdam naar de staat van tolerantie rond homoseksualiteit in Nederland, uitgevoerd in opdracht van de regering. Daarin kwam de genderpositie van homomannen zijdelings aan de orde. Voor dit artikel maak ik gebruik van de resultaten van deze studie, die is gepubliceerd als Gewoon doen. Acceptatie van homoseksualiteit in Nederland (Keuzenkamp e.a. 2006). Het onderzoek bestond uit een analyse van de gegevens van enquêtes waarin naar meningen en houdingen over homoseksualiteit was gevraagd, een verkenning van ‘ongezouten meningen’ op internet en interviews met 80 homoseksuele mannen en vrouwen over hun ervaringen op het werk en bij sporten.1Weconcludeerden dat de tolerantie ten aanzien van homoseksualiteit op een oppervlakkig niveau vrij algemeen is, maar dat bij meer specifieke vragen, zoals bijvoorbeeld over kussende homo- en lesboparen in het openbaar, de tolerantie snel afneemt. Op internet waren veel negatieve reacties op homoseksualiteit te vinden, in het bijzonder op Marokkaanse, Turkse en politiekrechtse sites. Een opvallend resultaat uit de interviews is dat hieruit een weerzin bij hetero’s én homo’s tegen “nichten” naar voren komt. Op grond hiervan valt het een en ander te zeggen over de genderpositie van homomannen nu in Nederland. Ik plaats de bevindingen in een historisch kader.

Heteroseksualisering

Rond de Franse Revolutie van 1789 vonden er ook ingrijpende veranderingen plaats in de genderverhoudingen. George Mosse (1985) heeft erop gewezen dat met het opkomende nationalisme een nieuwe mannelijkheid ontstond, stoer, militair, heteroseksueel. De ostentatieve kleding van de bovenlaag van de mannen voor 1800 verdween en mannen werden steeds meer geacht zich onopvallend te kleden (Solomon-Godeau 1997). Terwijl vrouwen vóór 1800 doorgingen voor seksuele wezens die door hun vaders, broers en echtgenoten in toom gehouden moesten worden, ontstond nu het beeld van vrouwen als moeders die voor het huishouden en de kinderen dienden te zorgen en geen seksuele behoeften hadden. Mannen bleven daarentegen de seksuele wezens die ze altijd al waren (Laqueur 1990). In de loop van twee eeuwen is de druk op mannen toegenomen om zich exclusief heteroseksueel te profileren. Mannelijkheid en heteroseksualiteit gingen naar de dominante opvatting steeds meer samenvallen. White (1993) situeert voor de Verenigde Staten de beslissende fase in die ontwikkeling aan het begin van de twintigste eeuw.
Mannelijkheid ontwikkelde zich van een toegeschreven (ascribed) naar een meer verworven (achieved) status, van één die vanzelfsprekend was naar één waarin mannen zichzelf meer moesten bewijzen. Het bleef de onbenoemde norm, maar iedere jongen en man moest nu met zijn prestaties gaan bewijzen dat hij een echte man was en voldeed aan meestal onuitgesproken normen. In de negentiende eeuw werd naast fysieke arbeid de sport een van de beste manieren om aan te tonen dat je je mannetje stond en een echte man was. Tevens waren sportieve inspanningen een middelomjongemannen uit te putten, zodat ze geen energie meer hadden voor seksuele uitspattingen met elkaar of voor zelfbevrediging. De reorganisatie van de Engelse kostscholen na 1840 was gericht op het bemoeilijken van homoseksuele relaties en het bevorderen van sportieve activiteiten (zie Mangan en Walvin 1987; Chandos 1984). In toenemende mate werden ‘man’ en ‘homoseksueel’ tegenvoeters. De nieuwe burgerij wilde zowel af van de excessen van de adel en zijn cortège en als van het ongeregelde gedrag van jongemannen aan de onderkant van de samenleving – van hun dronkenschap, (homo)seksuele ongeregeldheid, gebrek aan zelfbeheersing. Het waren vooral ook socialisten en feministen die zich inzetten om jonge mannen te temmen en respectabel te maken (zie bv. De Vries 1997). Zij droegen op hun wijze bij aan de normatieve en feitelijke heteroseksualisering van de samenleving en aan de opkomst van een mannelijkheid die zich richtte op arbeidzame of sportieve en niet op alcoholische of erotische topinspanningen.

Een vrouwelijke ziel in een mannelijk lichaam

Toen aan het eind van de negentiende eeuw dokters en homoseksuelen zelf over homoseksualiteit begonnen te schrijven, was een leidend thema de vrouwelijkheid van homomannen. Volgens hun idee kon seksueel verlangen alleen ontstaan tussen twee tegengestelde polen zoals man en vrouw. Daarbij werd soms een vergelijking met electrische polariteit gemaakt. Homoseksualiteit werd passend gemaakt binnen dit systeem doordat de homo werd gezien als ‘een vrouwelijke ziel in een mannelijk lichaam’ die viel op ‘een mannelijke ziel in een mannelijk lichaam’, anders gezegd een heteroman.2 Zo formuleerde Karl Heinrich Ulrichs, ‘de eerste flikker’ van de wereld, het in de jaren zestig van de negentiende eeuw (Sigusch 2000). (Hij gebruikte zelf het woord ‘urning’ terwijl het woord homoseksueel nog uitgedokterd moest worden; dat gebeurde – overigens anoniem – in 1869 door zijn Hongaarse concurrent, de schrijver Karoly Maria Kertbeny, die in vervolg daarop ook het woord heteroseksueel bedacht.) De meeste dokters namen de theorie van Ulrichs over. Zij maakten van wat lang een zonde en misdrijf was geweest een pathologie van mannen die in hun ziel vrouw waren. Evenzo stelden ze een lesbische voorkeur en mannelijkheid bij vrouwen op één lijn. In diezelfde tijd ontstonden nieuwe woorden voor vrijwel alle seksuele variaties, die doorgaans als perversies werden beschouwd: sadisme, masochisme, exhibitionisme, fetisjisme, pedofilie, travestie. Ook de algemene begrippen seksualiteit en seksuologie ontstonden in het fin-de-siècle. Met de nieuwe termen kwamen nieuwe zienswijzen, theorieën en praktijken. Vanaf die tijd werden erotische voorkeur en seksueel gedrag steeds meer gezien als een essentieel aspect van de persoonlijke identiteit. De medisch-psychologische zienswijze op homoseksualiteit en andere varianten van seksueel gedrag is te zien als uitvloeisel van de langerlopende ontwikkeling van een familiale naar een individuele identiteit, waardoor het seksuele en gender aspect van het ‘zelf’ veel belangrijker werd en seksuele voorkeur zich tot een wezenskwestie ontwikkelde (Oosterhuis 2000). Terwijl het tot de negentiende eeuw meer de familie met haar bloedbanden was die de leidraad voor het handelen vormde en de sociale identiteit bepaalde, werd dat in toenemende mate het gezin dat geacht werd te berusten op de vrije keuze van twee individuen van verschillend geslacht. Zolang het huwelijk niet op intimiteit was gebaseerd en vooral een zaak van families was, lag het binnen het bereik van homo’s. Met trouwen als heteroseksuele liefdeszaak raakten ze van hofmakerij en huwelijk uitgesloten.3 Verboden op ‘sodomie’ ruimden het veld voor een heteroseksuele disciplinering die homo’s op een andere manier opnieuw apart zette. Omdat heteroseksualiteit en mannelijkheid gingen samenlopen, vielen ze uit de boot op beide punten van gender en seksualiteit. De voorstelling van de vrouwelijkheid van homoseksuelen kent een langere geschiedenis. Sodomieten werden in de achttiende eeuw wel omschreven als ‘nigten’. Vrouwelijkheid was een karakteristiek dat toen evenwel nieuw was voor mannen die homoseksueel gedrag vertoonden. Als verwijfd gold in die tijd nog eerder een man die veel achter vrouwen aanzat en zijn lusten in die richting niet kon bedwingen. Veel mannen met homoseksuele interesse richtten zich vooral op jongens of zagen homoseksuele pleziertjes als een verleidelijk uitstapje – weliswaar riskant omdat sodomie een halsmisdrijf was. Met de opkomst van de seksuologie aan het eind van de negentiende eeuw maakten artsen de vrouwelijkheid van de homoseksueel tot een kernstuk van hun theorie. De nieuwe opvattingen over gender en seksualiteit kregen een sterk disciplinerende functie voor mannen. Tegelijk was het duidelijk dat niet alle homomannen vrouwelijk waren. Er waren in die tijd ‘echte mannen’ die zich voor lieten staan op hun biseksualiteit en er waren pederasten die op knapen, niet op volwassen mannen vielen en voor meer mannelijk doorgingen dan andere homo’s. De theorie van de vrouwelijkheid van homomannen kon rekenen op brede maatschappelijke aanvaarding, maar de werkelijkheid was weerbarstiger (Hekma 1994a).

Homo's onder elkaar

In de jaren vijftig van de vorige eeuw verdween voorgoed het koppel van vrouwelijke homoman en mannelijke heteroman, van ‘queen and trade’ of in het Nederlands ‘nicht’ en ‘tule’ (heteroman met homocontacten) die seks hadden. Artsen gingen vanaf toen verklaren dat homo’s afgezien van hun seksuele voorkeur ‘gewoon hetzelfde’ als hetero’s waren (Sengers 1968). Homo’s zelf gingen er langzamerhand ook zo over denken. Homomannen vermannelijkten. Ze verklaarden dat ze niet begrepen waarom een man die van mannen hield zich als een vrouw zou moeten gedragen. Ze verwijderden zich van de seksuele textuur van een eerder tijdperk waarin de tegenstelling van nicht en tule de lust deed ontvlammen. Moderne homomannen wilden mannelijk zijn, zochten seks onder elkaar en niet meer met onbetrouwbare heterogezellen. Ze streefden naar gelijkheid op het gebied van seksualiteit en gender en naar uitwisselbare seksuele rollen . De oude dichotomie van actieve heteroman en passieve homoman verloor haar begrijpelijkheid (Hekma 1992; Chauncey 1993). Erotische gelijkheid en seksuele wederkerigheid werden de nieuwe norm (Hekma 2006b).
De heteromannen die voorheen het seksobject van de nichten waren, hadden op hun beurt minder trek in homoseksueel verkeer omdat het verscherpte onderscheid tussen homo en hetero, het oude van passief en actief, definitief wegvaagde. Het was een ontwikkeling die geleidelijk van de middenklassen ‘naar beneden’ sijpelde. Ook de actieve partner in het homocontact werd nu gezien als homo en daarmee onmannelijk, omdat mannelijk en hetero steeds meer waren gaan samenvallen ongeacht de positie in het seksuele verkeer. Bovendien kregen heteromannen meer seksuele kansen bij vrouwen, omdat maagdelijkheid en kuisheid voor ongetrouwde vrouwen minder een norm werd, daarbij geholpen door nieuwe anticonceptiemiddelen zoals de pil. Samenvattend kunnen we de ontwikkelingen gedurende de twintigste eeuw als volgt typeren: minder mannen hadden homoseks, die steeds meer beperkt bleef tot mannen met een homoseksuele identiteit, en tegelijk konden deze homomannen door nieuwe voorzieningen (zoals donkere kamers en sauna’s en ook hun eigen slaapkamers) meer seks hebben dan ooit tevoren. Niethomo’s kwamen niet in de exclusieve homowereld, behalve een enkele biseksueel of een getrouwde man die nog in de kast zat.4 De meeste homomannen zagen zichzelf nu als mannelijk, maar de meeste heteromannen waren het daarmee oneens.5
Hoewel homomannen zich steeds meer ‘gewone mannen’ zijn gaan voelen en gelijkwaardige relaties met andere gewone mannen zeggen aan te gaan, worden de termen ‘homo’ en ‘nicht’ nog altijd als equivalent gebruikt. Dat is niet zonder betekenis: door homo’s nichten te noemen, wordt aangegeven dat ze wezenlijk anders en vooral minder mannelijk zijn dan andere mannen. Overal in de Westerse wereld kennen heteromannen de associatie van homo met vrouwelijkheid en verzetten homomannen zich hiertegen. Er bestaat een grote institutionele dwang gericht tegen homoseksuele jongens die als onmannelijk worden beschouwd. Ouders strijden tegen vrouwelijk gedrag van zonen, scholen steunen zulke jongens niet wanneer ze slachtoffer van agressie zijn en bieden geen rolmodellen, leeftijdgenoten pesten hen, de sport sluit hen uit, psychologen proberen hen op het ‘rechte’ pad te brengen en de wetenschap beschouwt hen als misschien interessante maar zeker betreurenswaardige afwijkingen.

'Nichten' in Nederland

De vermannelijking van de homoseksueel heeft, kortom, geen eind gemaakt aan de associatie van homoseksueel met onmannelijk bij een breder publiek. Het voorbeeld van Gerard Reve die in kleding en gedrag een mannelijke pose aannam, weegt in Nederland niet op tegen de lange rij komedianten die juist het vrouwelijke van de nicht exploreren, zelfs exploiteren, van Albert Mol via Paul Haenen tot Paul de Leeuw en Gordon en Joling. Hetzelfde geldt voor de kunstwereld met zijn acteurs, regisseurs, balletdansers, modeontwerpers. Ook gebruiken homo’s onder elkaar het woord nicht regelmatig. De mate waarin ze ‘nichterig’ gedrag vertonen varieert tussen individuen maar ook naar situatie. Deels gaat het om situatiegebonden, ‘backstage’ gedrag, wanneer er geen hetero’s bij zijn. Daar kunnen homo’s mannelijke pretenties opgeven en dingen zeggen en doen die voor nichterig doorgaan.
In de sport is een gangbaar scheldwoord voor de slecht presterende man ‘mietje’. Het vooroordeel sluit sommige homomannen uit die zich daardoor voelen aangesproken en inderdaad de sport eraan geven. Het dwingt andere homomannen om hun seksuele voorkeur in de sport te verbergen. Hetzelfde vooroordeel speelt voor lesbische vrouwen, maar omgekeerd, zodat zij er enig voordeel bij kunnen hebben. Omdat ze mannelijk zijn, zouden ze goed kunnen sporten (Hekma 1994b, zie ook Janssens e.a. 2003). Gescheld op jongens die sportief wanpresteren of op ander manieren niet aan normen van mannelijke stoerheid voldoen, is ook typerend voor scholen en schoolpleinen (zie van Maaren 2004). Dit gepest kan zelfs ontaarden in geweld juist jegens jongens die als vrouwelijk en homoseksueel worden gezien. Het leidt tot hogere zelfmoordfrequentie onder homojongeren, ook in Nederland. Volgens recente gegevens denken homomannen vijf maal zo vaak serieus aan
suïcide dan heteromannen en doen ze negen keer zo vaak een poging (De Graaf e.a. 2006).
Van Kerkhof (2000) deed onderzoek naar de beleving van anale seks onder homomannen. De meesten van hen zien zichzelf als mannelijk en hebben toch ervaring met kontneuken, dat ze als passief, onderdanig en vrouwelijk zien. De titel van Van Kerkhofs stuk is een uitspraak van een van de geïnterviewden, die krachtig weergeeft hoe deze het ervaart: ‘Ik liet me naaien en wist meteen dat ik homo was’. Een ander beweert dat hij op het moment supreme over zijn kont als een kut praat. De homomannen mogen zich mannelijk voelen en zich vaak nogal misogyn uiten, de passieve ervaring van anale seks is en blijft vrouwelijk getypeerd. Van Kerkhof onderscheidt in de antwoorden van de homomannen die ervaring hebben met passieve anale seks twee betekenisclusters, die van overgave en onderdanigheid. Beide worden vooral als vrouwelijke emoties beschouwd. Deze homomannen verenigen de mannelijkheid die ze in het alledaagse leven nastreven met het vrouwelijke dat ze beleven in de seks door de seksuele ervaring apart te plaatsen. Het is een overgave, een vereniging met de geliefde, een moment dat homomannen de genderbetekenis van de seks aan den lijve ervaren maar weer net zo snel willen vergeten.6

Gewoon doen

Uit ons kwalitatieve onderzoek kwam naar voren dat de associatie van homo met vrouwelijk met de voortschrijdende homo-emancipatie allerminst is verdwenen. 7 Homomannen worden zo vaak geconfronteerd met scheldwoorden als nicht, mietje of watje dat ze het nauwelijks meer horen: het gaat het ene oor in en het andere uit. Maar de afkeer van (vermeend) vrouwelijk gedrag van homo’s, met andere woorden van nichterigheid, bestaat niet alleen onder hetero’s maar ook onder homo’s zelf. Terwijl de acceptatie van homoseksualiteit toeneemt, lijkt de afkeer van nichterigheid te groeien. Deze afkeer is evident, maar tegelijk blijft vaag waar nichterigheid voor staat. In de eerste plaats gaat het om met vrouwelijkheid of onmannelijkheid geassocieerd gedrag van mannen dat een breed terrein bestrijkt: een bepaalde habitus van zich niet breed maken door bijvoorbeeld met de benen wijduit te zitten, gedragingen zoals met de billen draaien en een slap handje geven, een hoog stemgeluid, een taalgebruik met veel verkleinwoorden, kleren zoals strakke truitjes of glimmende stoffen, veel aandacht voor mode en uiterlijk. In de tweede plaats slaat nichterigheid vaak op een overmatige interesse voor seksualiteit: homo’s praten te veel of te direct over seks. Zo richt de afkeer jegens nichten zich ook op leermannen en publieke seks, wat overigens moeilijk als ‘vrouwelijk’ kan worden getypeerd. Nichterigheid lijkt een combinatie van vrouwelijkheid en geiligheid te zijn.
Voor het kwalitatieve onderdeel van ons onderzoek interviewden we 46 homomannen over hun ervaringen in horeca, leger, bank- en verzekeringswezen en sport. Het was opvallend hoe vaak de mannen afgaven op het vrouwelijke en het seksuele van de homowereld en homo-evenementen zoals de Amsterdam Canal Parade. Ik geef een selectie van uitspraken die getuigen van deze afkeer.8

De 19-jarige Gerard had vier jaar geworsteld met zijn homoseksuele gevoelens voordat hij kleur bekende. Hij werd regelmatig uitgescholden voor ‘homo’ en streed een eenzame en moeilijke strijd tegen het homo-zijn.

Wat deed je om te voorkomen dat ze dachten dat je homo was? Ze hadden wel een vermoeden, dan vroegen ze het wel, dan zei ik glashard nee. Ik dacht wel, ik ga een beetje vermannelijken, wijdbeens fietsen en zo, dat het niet te veel opviel, achteraf denk je waarom heb ik het allemaal gedaan, ik ging stoer lopen […] Veranderde je je stem? Nee, die was al altijd zo, bassen kon niet, dat deed zeer aan m’n keel.

Gerard vertoonde de kenmerken van een nicht, streed ertegen en gaf ten slotte toe aan zijn homoseksuele gevoelens. Hij toont zich reflexief over zijn homoseksuele Werdegang:

‘Volgens mij word je ook wel een beetje gevormd, want je wordt ermee gepest op school. Dan ga je nadenken waarom zeggen ze dat tegen mij. Ze duwen je in dat hokje, en als je die grens over wilt, dan ga je denken ben ik het wel of niet, stap ik er wel of niet overheen. Ik heb me lang verzet tegen die grens. Nu kan ik de remmen loslaten. [..] M’n vader was erop tegen, daarom wilde [ik] het ook al niet worden. Ik was het nog niet, en die [vader] was er hard op tegen.
Hoe zei die dat? ‘De hardste dingen die je kunt bedenken.’

Achteraf vond de vader het uitstekend dat zijn zoon homo was, maar voordat het zover was hoorde de zoon alleen maar lelijke dingen over homo’s. Die negatieve oordelen heeft Gerard zich overigens ook zelf eigen gemaakt. Volgens hem trekken nichten ‘het verkeerde beeld van homo’s naar voren, erg vrouwelijk en zo, terwijl er genoeg zijn die echt mannelijk zijn. Niet overdressed, geen nagellak. […] Nichten zijn te overdreven.’

De 25-jarige Max denkt er net zo over:

‘Ik hoef niet elke week naar de gay scene. Word ik helemaal gek. Daar is het net iets te, het ligt er iets te dik op, allemaal rellen, ik moet geaccepteerd worden. [Ik bedoel] de jongere generatie die met make-up in te korte truitjes loopt te wapperen, daar heb ik een ontzettende hekel aan, relnichten van 18 tot 25 die te vrouwelijk zijn, met een handtas lopen.’

Tegen travestieten heeft hij geen bezwaar, dat is leuk en kennelijk minder bedreigend. Zelf werd hij eens op zijn werk uitgescholden en daar zegt hij
over: ‘Ik werd gezien als trendgevoelig, dan ben je al gauw homo.’ Erik (27 jaar) zegt over zijn werk in een eetcafé: ‘Ik word redelijk gewaardeerd maar ik moet het niet presteren om nichteriger te worden dan ik nu ben. Het handje, het stemmetje, het loopje, de kleding. Als ik dat zou gaan doen, heeft het publiek er problemen mee.’ Ramon (20 jaar) zegt over een homoseksuele collega op z’n werk: ‘Waaraan zagen ze het? Z’n manier van doen, z’n praten, daar grapten ze over.’ De 26-jarige Theo spreekt van ‘extravagant’ homogedrag en geeft een voorbeeld van wat in zijn woonplaats niet normaal is: ‘twee jongens hand in hand, iedereen op terras zat te kijken’. Zulke negatieve oordelen lijken tamelijk onschuldig, maar hebben soms lelijke gevolgen. Zo was Ron (26 jaar) bij zijn werk in een bouwvakkerscafé door een hel gegaan voordat de bezoekers hem accepteerden, ja zelfs op een voetstuk gingen plaatsen. Hij had die nare ervaringen helemaal weggedrukt.
Bij de volgende citaten springen de respondenten over van nichterigheid naar leermannen: ‘Ik houd niet van fel roze gekleurde relnichten die met handtassen lopen te zwaaien. Doe maar normaal dan doe je gek genoeg. (…) Hou totaal niet van leermannen, zijn vooroordeelbevestigend’ (Michiel). De 26-jarige Dirk zegt:

‘Die extreme dingen vind ik gewoon niks, overdreven homo zijn vind ik niks. Als je je gewoon normaal gedraagt, niet zo overdreven alles, dat is goed. Extreem is van die mannen die helemaal in leer lopen, zich helemaal overdreven homo gedragen, daar hoef ik niks mee te maken te hebben. Homogedrag is dat je op een kilometer afstand ziet dat ze homo zijn.’

Hoewel leer voor mannelijkheid staat en nichterigheid voor vrouwelijkheid liggen ze voor deze respondenten kennelijk toch in elkaars verlengde als transgressies van de normen van heteroseksualiteit en mannelijkheid – het ene te mannelijk en het andere juist te onmannelijk en allebei waarschijnlijk te seksueel. In het volgende voorbeeld vertelt Dirk over jongens in zijn kroeg die grappen met hem uithalen door zogenaamd seksuele voorstellen te doen: ‘als ik glazen haal, dan trekken ze hun shirts omhoog en zeggen ze ‘kijk eens wat een lekkere tieten ik heb’ en knijpen ze in m’n kont, en dat is niet echt leuk. Nee, het is niet bedreigend, het is vervelende lol.’ Hier is de volgorde van vrouwelijkheid naar seksualiteit waarbij de heterojongens die vervelend doen zichzelf vrouwelijk gedragen. Een interessante uitkomst van ons onderzoek naar ervaringen op de werkplek is dat juist heteromannen soms ‘voor de gein’ nichterig gedrag vertonen terwijl homomannen zich wel drie keer bedenken voordat ze zoiets doen. Hetzelfde geldt voor fysieke intimiteiten onder geslachtsgenoten: dat is veel makkelijker voor een hetero dan voor een homo, want bij de laatste kan het serieus homoseksueel en daarmee bedreigend worden. Dat er omgekeerd ook een bedreiging uitgaat van 'homo'-gedrag van hetero's voor homo's, kan deze hetero's weinig deren.
De meeste respondenten zijn op hun hoede en voorkomen dat ze nichterig gedrag vertonen. Het geldt evenwel niet voor iedereen. Allochtone Boris (24 jaar) geeft er nietomals hij euforisch is – dat wil zeggen dronken. Edo (26 jaar) zegt:

‘Ik ben er niet zo mee bezig, ik heb zo iets, ik ben het, ze mogen het weten ook, zo ver ben ik gelukkig na al die jaren. Als ik het op mijn manier van lopen al uit, het zij zo. Ik geloof wel dat ze vinden dat ik een nichtenloopje heb. [..] Vroeger met roken vonden ze wel dat ik een slap handje had, zo ‘handje omhoog’ en wat ik drink, dat vinden ze echt een nichtendrankje, dat is een martini rood.’

Deze jongens, die allemaal in de horeca werken, zien hoe de media bijdragen tot stereotype beeldvorming: ‘Laatst hadden ze het op tv over hiv en lieten ze leernichten en Canal Parade zien, heel vrouwelijk, heel verwijfd. Dat is het idee.’ (Boris). Of zoals Edo vertelt: ‘In de media komt homoseksualiteit tamelijk extreem voor, over leer, gay pride, uitbundig, over de top, helemaal fout, ik heb laten zien dat het ook op een gewone manier kan, ze hebben hun mening wel bijgesteld.’ Op een andere manier geeft ook Surinaamse Glen (49 jaar) zijn collega’s een lesje over homomannen:

‘Ze kennen allemaal het verschijnsel aanstellerige nicht, dat vinden ze minder dan iemand die zich gedraagt als hetero; dan zeg ik, luister, het nicht-zijn dat is nu eenmaal anders, iedereen is een beetje anders, iemand die zich als nicht gedraagt, daar heb je geen last van; iedereen moet zichzelf kunnen zijn.’

In alle sectoren die we onderzochten – de horeca, de sportwereld, het leger, bank- en verzekeringsbedrijven – proberen de geïnterviewden nichterig gedrag te vermijden en hun homoseksualiteit niet uitdrukkelijk te etaleren, of zelfs helemaal te verzwijgen. Ze vrezen, niet zonder reden, dat ze anders moeilijkheden zouden krijgen, dus passen ze zich aan. Tegelijk veroordelen de homomannen uit deze sectoren hun soortgenoten die zich nichterig gedragen, op het werk en ook op straat, bij homofestivals zoals de Amsterdamse grachtenparade, of op de buis.

Homoseksueel kleur bekennen

Al bij kinderen is er een sterke neiging homoseksualiteit met vrouwelijkheid te associëren. Gerard met zijn hoge stem en zijn benen die hij dicht bij elkaar hield, was voor zijn omgeving een mietje en dus een homo. Hij streed ertegen maar toen hij ontdekte dat hij inderdaad homoseksueel was, gaf hij zich op dit punt gewonnen. Hij blijft echter strijden tegen nichterigheid en ook tegen homo’s die zich als nichten gedragen. Sommige jongens hebben het geluk dat er in hun jeugd een bliksemafleider is. Zo vertelt Erik:

‘Een buurjongen werd altijd gezien als homo en werd ermee gepest, ‘Alexandra’; iedereen zag hem als homo en niet mij. Toen ik zei dat ik homo was, moest hij niks van me hebben. Vier jaar later kwam ik erachter dat hij ook homo was.’

Theo had een dergelijke ervaring op zijn voetbalclub. De associatie van homoseksueel en vrouwelijk bevestigt vooroordelen over homoseksualiteit bij alle jongeren ongeacht of ze bezig zijn homo of hetero te worden. Het bevestigt heteroseksualiteit als de onbenoemde norm. Niet alle ‘onmannelijke’ jongens zullen homo worden en aan de andere kant zullen er genoeg jongens zijn die bijvoorbeeld heel goed kunnen meekomen bij de sport en later homo blijken te zijn. Maar de vooroordelen over nichten en mietjes die elke dag over schoolpleinen en sportvelden schallen, zijn niet erg behulpzaam voor de seksuele ontwikkeling van homojongeren of van jongens die als mietjes worden gezien maar geen homo zijn.
In ons onderzoek kwamen we tot onze verbazing tot de conclusie dat veel homomannen en lesbische vrouwen erg lang doen over de ontwikkeling van eerste gevoelens naar eerste bekentenissen, ook in liberale milieus.9 De vooroordelen over homo’s en nichten hebben ook nu nog een negatief effect op het homoseksuele kleur bekennen van jongeren omdat de seksuele voorkeur die ze als eigen ervaren, wordt gekoppeld aan ideeën over nichterigheid. Nog steeds oefent de samenleving (gezin, school, vrienden) een grote druk op jongeren uit om zich op het gebied van gender en seksualiteit conformistisch te gedragen. Heteroseksualiteit en een daaraan gekoppelde mannelijkheid worden nog steeds als gewenst voorgesteld. En dat betekent voor jongens die uiteindelijk een homoseksuele keuze maken vaak een zware strijd die lang kan duren.

Homo's en onmannelijkheid

Het zal altijd een raadsel blijven waarom mensen precies worden wie ze zijn binnen de beperkingen van hun samenleving. Wel is duidelijk dat er blijvend een grote druk staat op jongens om zich stoer en heteroseksueel te gedragen. Aan die druk en die norm kunnen lang niet alle jongens voldoen. Om allerlei onontwarbare redenen is er een bepaalde groep die op beide punten faalt. Zij zijn ‘onmannelijk’ en homoseksueel en vormen de geminachte, subalterne, inferieure groep. De geïnterviewde Gerard, die niet voldeed aan mannelijkheidsnormen, had het gevoel dat hij daarom in de homohoek werd geduwd. Hij gaf zich uiteindelijk over aan een homoseksuele keuze en bleef desalniettemin – zoals vrijwel alle homomannen – vasthouden aan het idee dat hij wel degelijk mannelijk is. Hoeveel jongens zouden een heteroseksuele keuze maken omdat ze zo onder druk worden gezet? In ieder geval lijkt het voor Gerard en anderen nog erger om voor onmannelijk te worden aangezien dan voor homoseksueel. Mannelijkheid is en blijft een dwingende norm. Een belangrijk bestanddeel van die norm is heteroseksualiteit en homo’s willen dat wel veranderen – maar niet de mannelijkheid zelf.
Uit de literatuur en uit ons onderzoek komt duidelijk naar voren dat veel homomannen zich verzetten tegen de attributie van vrouwelijke kenmerken. Ze weten meestal heel goed dat ze worden gezien als homoseksueel én vrouwelijk, hebben leren leven met het eerste en verzetten zich vaak tegen het tweede met alle psychische kosten van dien. Ze verschillen niet van heteromannen in hun ijver om hun mannelijkheid te bewijzen, maar hun inspanningen lopen stuk op de associatie van hun homoseksualiteit met vrouwelijkheid. De ‘valse nichten’-humor draait juist hierom dat de ene homo de andere (en soms een hetero) pest met diens vrouwelijke gedrag. Er zijn maar weinig homo’s die zich niets aantrekken van het absurde verwijt dat ze te vrouwelijk – of onmannelijk – zouden zijn.
Het homogedrag is een bevestiging van Butlers (1990) theorie dat genderrollen ontstaan door gedragsherhaling. Seksepraktijken zijn geen vrijwillige, maar afgedwongen handelingen. Een belangrijke rol in de mannelijke socialisatie speelt de voortdurende afwijzing van nichterigheid. Heteroseksualiteit en mannelijkheid zijn vooral gebouwd op de negatie van wat als vrouwelijk wordt gezien en daarvan is de nicht het voorbeeld bij uitstek. Jongens mogen geen watjes zijn, niet verlangend naar mannen kijken en mannelijkheid niet erotiseren, geen vrouwelijk gedrag vertonen, geen meisjeskleren aantrekken, niet met poppen spelen. Het vaak ongerichte gescheld tegen mietjes, flikkers, watjes of homo’s dient als een bevestiging van de mannelijkheid van de spreker en als een oproep aan andere jongens en mannen om het tegenovergestelde te belichamen.
Het is jammer dat zulke vooroordelen bestaan en slachtoffers maken en dat homo’s zich er nauwelijks tegen verzetten, er juist vaak in meegaan. Dat ze de benen wijd doen en de stem naar beneden.

Noten

1
Om allerlei redenen werd gekozen voor bank- en verzekeringswezen en de horeca (beide niet eerder onderzocht), voor het leger (defensie betaalde mee) en fitness en hockey, twee sporten die eerder geen aandacht van onderzoekers hadden gekregen. Zelf deed ik onderzoek in de horeca. Hoewel de vragen vooral de werksituatie betroffen, zijn ook algemenere thema’s meegenomen zoals homoseksuele zelfbenoeming en reacties op straat, in de familie en elders. De respondenten werden via internet, media, homonetwerken en de sneeuwbalmethode geworven. Zie Keuzenkamp e.a. (2006) voor een verdere methodologische verantwoording.

2
Ulrichs nam aan dat jonge heteromannen zich voor geld beschikbaar stelden voor homoseks, parallel aan de jonge vrouwen die zich prostitueerden.

3
Veel beroemde ‘homo’-schrijvers uit de periode rond 1900 waren nog getrouwd, zoals Louis Couperus, Jacob Israël de Haan, Paul Verlaine, André Gide en Oscar Wilde. Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw raadden dokters homoseksuelen een huwelijk aan als therapie tegen hun seksuele voorkeur.

4
Het paradoxale van deze ontwikkeling is dat de seksuele integratie (die ik ook wel als seksueel grensverkeer heb aangeduid) afliep op het moment dat de homobeweging sociale en politieke integratie na ging streven.

5
Het autobiografische Before Night Falls van de Cubaanse schrijver Reynaldo Arenas (1993) en de gelijknamige film van de New Yorkse kunstenaar Julian Schnabel (2000) bieden een levendige blik op die oude wereld waar een nicht of maricone zich geen andere partner kon voorstellen dan een echte macho. Het is een cultuur van ‘passieve’ en ‘actieve’ partners die op veel plekken in de wereld nog bestaat: in Turkije, de Arabische wereld, Latijns-Amerika. Een jongere generatie begint ook daar de seksuele ongelijkheid ervan onverdragelijk te vinden en identificeert zich liever met ‘gay’ dan met klassieke categorieën voor vrouwelijke en passieve homo’s, zoals ‘ibne’ in Turkije, ‘zemel’ in Marokko of ‘maricone’ in de Latijnse wereld. Net als veel Nederlandse homomannen streven ze naar gelijkheid en wederkerigheid in seks- en gendergedrag en willen ze af van het vernederende dat aan de vrouwelijke rol kleeft – eerloos naar culturele voorstellingen en een bron van geweld en misbruik in de alledaagse praktijk. Ze zijn ‘gays’, geen nichten meer. Hun vrouwelijke maniertjes, bedoeld om hun seksuele beschikbaarheid aan te duiden, geven ze eraan, terwijl ze hun best doen zich mannelijk te gedragen.

6
Ze zijn meestal niet in staat om lak te hebben aan genderdefinities, zoals de markies de Sade, die daar de draak mee stak en een overtuigde passieve sodomiet was. Hem heb ik ‘onmannelijk’ genoemd: voorbij de dichotomie van mannelijk en vrouwelijk (Hekma 2006a). Je zou zulke mannen ook genderdeserteurs kunnen noemen.

7
Wij deden niet speciaal onderzoek naar de betekenissen van nichterigheid, maar in de interviews kwam het thema sterk naar voren. Nadere studie van het thema is gewenst. Naast de breed gedeelde afkeer van nichterigheid was een ander resultaat van het onderzoek dat open zijn over de seksuele voorkeur op veel werkplekken vanzelfsprekend is, zelfs min of meer verplicht. De meeste respondenten waren daar wel blij mee, maar de
keerzijde is dat ze zich dan ook normaal, dat wil zeggen niet nichterig, moeten gedragen.

8
De citaten komen uit mijn eigen deel van het onderzoek in de horeca en staan niet noodzakelijkerwijs in het genoemde boek geciteerd. De vragen zijn schuin gedrukt.

9
De boodschap van ouders aan kinderen van wie ze vermoeden dat ze homoseksueel of lesbisch zouden kunnen worden ‘dat zoiets voor hen geen probleem is’ geeft de sociale ambivalenties aan. Voor die ouders is het misschien geen probleem, maar voor anderen wel.

Literatuur

  • Bergling, T. (2001) Sissyphobia. Gay Men and Effeminate Behavior. New York: Harrington Park Press.
  • Butler, J. (1990) Gender Trouble. New York: Routledge.
  • Chandos, J. (1984) Boys Together. English Public Schools 1800-1864, London: Hutchinson.
  • Connell, R.W. (1995) Masculinities, Oxford: Polity Press.
  • Drummond, M. (2005) Listening to the voices of young gay men. Men and Masculinities 7 (3) 270-290.
  • Graaf, R. de, T.G.M. Sandfort en M. ten Have (2006) Suicidality and Sexual Orientation. Archives of Sexual Behavior 35 (3) 253-262.
  • Hekma, G. e.a. (1992) De roze rand van donker Amsterdam. De opkomst van een homoseksuele kroegcultuur 1930-1970. Amsterdam: Van Gennep.
  • Hekma, G. (1994a) “A Female Soul in a Male Body”: Sexual Inversion as Gender Inversion in Nineteenth-Century Sexology. In: G. Herdt (ed.) Third Sex, Third Gender. Beyond Sexual Dimorphism. New York:Zone Books, 213-239.
  • Hekma, G. (1994b) “Als ze maar niet provoceren”. Discriminatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen in de georganiseerde sport. Amsterdam: Spinhuis.
  • Hekma, G. (2006a) Sade, masculinity and humiliation. Men and Masculinities9(2) 236-251.
  • Hekma, G. (2006b) Het erotische gelijkheidsideaal. Seksueel verlangen en sociaal onderscheid. In: C. Brinkgreve en R. van Daalen (red.) Over gelijkheid en verschil. Amsterdam: Het Spinhuis, 73-82.
  • Janssens, J., A.Elling en J. Van Kalmthout (2003) Het gaat om de sport. Een onderzoek naar de sportdeelname van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen. Nieuwegein: Arko.
  • Kerkhof, M. van (2000) “Ik liet me naaien en wist meteen dat ik homo was”. Homoseksualiteit, mannelijkheid en de passieve ervaring. Tijdschrift voor Gender Studies 3 (4) 13-22.
  • Keuzenkamp, S., D. Bos, J.W. Duyvendak en G.Hekma(red) (2006) Gewoon doen. Acceptatie van homoseksualiteit in Nederland. Den Haag: scp.
  • Lancaster, R.N. (2003) The Trouble with Nature. Sex in Science and Popular Culture, Berkeley: University of California Press.
  • Laqueur, T.W. (1990) Making Sex. Body and Gender from the Greeks to Freud. Cambridge Ma.: Harvard University Press.
  • Maaren, P. van (2004) Mijn meester is homo. Amsterdam: swp.
  • Mangan, J.A. en J. Walvin (eds.) (1987) Manliness and Morality. Middle-Class Masculinity in Britain and America, 1800-1940. Manchester: Manchester University Press.
  • Mosse, G.L. (1985) Nationalism and Sexuality. Respectability and Abnormal Sexuality in Modern Europe. New York: Howard Fertig.
  • Oosterhuis, H. (2000) Stepchildren of Nature. Krafft-Ebing, Psychiatry, and the Making of Sexual Identity. Chicago: The University of Chicago Press.
  • Sedgwick, E.K. (2004) How to Bring Kids Up Gay: The War on Effeminate Boys. In: S. Bruhm en N. Hurley (eds.) Curiouser. On the Queerness of Children. Minneapolis: Universityof Minnesota Press, 139-150.
  • Sengers, W.J. (1968) Gewoon hetzelfde? Een visie op vragen rond de homofilie. Bussum: Brand.
  • Sigusch, V. (2000) Karl Heinrich Ulrichs. Der erste Schwule der Weltgeschichte. Berlin: Rosa Winkel.
  • Solomon-Godeau, A. (1997) Male Trouble. A Crisis in Representation. London: Thames and Hudson.
  • Vries, P. de (1997) Kuisheid voor mannen, vrijheid voor vrouwen. De reglementering en bestrijdingvan prostitutie in Nederland, 1850-1911. Hilversum: Verloren.
  • White, K. (1993) The First Sexual Revolution. The Emergence of Male Heterosexuality in Modern America. New York/London: New York University Press.
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License